Wees wijs met water: zoet water is geen oneindige bron
De extreem droge zomer van 2026 maakte opnieuw duidelijk hoe kwetsbaar onze zoetwatervoorraad is. Door de langdurige droogte nam de vraag naar water sterk toe, terwijl de voorraad zoet water steeds kleiner werd. Om in de toekomst onze zoetwatervoorraad te beschermen en zolang mogelijk zoet water beschikbaar te houden voor landbouw, natuur en andere gebruikers, werken we aan nieuw beleid voor een duurzaam beheer van zoet water.
Water is voor de landbouw onmisbaar. Maar schoon, zoet water is niet vanzelfsprekend. Door klimaatverandering en veranderingen in het landgebruik komt de zoetwatervoorraad steeds meer onder druk te staan. We gebruiken meer water, terwijl er juist minder wordt aangevuld. Dat kan in de toekomst zorgen voor tekorten, vooral in droge zomers.
We kijken daarom opnieuw naar het beleid voor het onttrekken van oppervlaktewater en grondwater, maar ook naar drainage en water vasthouden. Om de zoetwatervoorraad aan te vullen, moeten we meer water vasthouden en slimmer omgaan met drainage. ‘We moeten anders naar water gaan kijken’, zegt Jiska Waaijenberg, senior beleidsadviseur watersystemen bij Wetterskip Fryslân. ‘Niet alleen afvoeren, maar ook vasthouden waar dat kan. Dat is nodig om problemen in de toekomst te voorkomen.’
Hoe werkt ons ‘snelweg’-watersysteem?
Het Friese watersysteem is ingericht om overtollig water snel af te voeren. Via een fijnmazig netwerk van sloten, stuwen en gemalen stroomt regenwater snel naar de Friese boezem (stelsel van meren, kanalen en vaarten). Van daaruit lozen spuisluizen en gemalen het water op zee of naar het IJsselmeer. Water dat weg is, komt niet meer terug.
In droge perioden doen we juist het omgekeerde. Dan laten we water in vanuit het IJsselmeer om tekorten aan te vullen. Dat systeem werkte lange tijd goed, maar door klimaatverandering loopt dit steeds vaker tegen grenzen aan. Daar komt bij dat het grondwater niet genoeg wordt aangevuld, omdat we water te snel afvoeren. Door het veranderende klimaat, komen we met die aanpak in de problemen.
Klimaatverandering: meer pieken en dalen
Het klimaat verandert merkbaar. De temperaturen stijgen, waardoor gewassen meer water nodig hebben. Tegelijk worden zomers droger en valt er langere perioden weinig of geen regen. Dat betekent uitzakkende grondwaterstanden en dat ons oppervlaktewatersysteem nog meer afhankelijk wordt van water uit het IJsselmeer. Maar ook daar ontstaan problemen. Door zachtere winters valt er minder sneeuw in de Alpen en smelten gletsjers versneld. Hierdoor voert de Rijn in de zomer minder water af. Dat betekent minder aanvoer naar het IJsselmeer en een grotere kans op watertekorten. Daarnaast zijn er ook gebieden in Fryslân waar geen aanvoer mogelijk is en die geheel afhankelijk zijn van grondwater en neerslag. Het positieve nieuws: over een heel jaar bekeken valt er meer neerslag dan we nodig hebben. Alleen valt die regen niet altijd op het moment dat we het nodig hebben. ‘Als we erin slagen om neerslag langer vast te houden, worden we in droge perioden minder afhankelijk van het IJsselmeer’, zegt Jiska. ‘Water vasthouden in natte tijden is cruciaal. Zo zorgen we voor voldoende voorraad in de bodem en dalen de grondwaterstanden minder snel.
Verandering in landgebruik
Naast het klimaat verandert ook het landgebruik. Op zandgronden wordt steeds meer grasland omgezet in akkerbouw. Akkerbouwpercelen worden meestal goed gedraineerd. Drainage zorgt voor een lagere grondwaterstand en een snellere afvoer van regenwater. Daardoor zakt minder regenwater naar het grondwater en wordt de zoetwatervoorraad minder aangevuld. Tegelijk worden percelen gevoeliger voor droogte, waardoor in de zomer beregening eerder en vaker nodig is.
Meer akkerbouw betekent dus: een grotere watervraag én een kleinere aanvulling van het grondwater. ‘Die combinatie is zorgelijk’, aldus Jiska. ‘We zien dat de vraag meer toeneemt dan de aanvulling van het grondwater, waardoor de grondwatervoorraad onder druk komt te staan.
Wat laat onderzoek zien?
In 2025 lieten we onderzoek doen naar de effecten van klimaatverandering en landgebruik op de beregeningsbehoefte, de grondwaterstanden en de beekafvoer van de De Lende, Grootdiep, Kleindiep en Boven-Tjonger. Hieruit blijkt dat, bij gelijkblijvend landgebruik, de gemiddelde beregeningsbehoefte stijgt van 45 naar 65 millimeter per jaar. Bij een verdubbeling van het akkerbouwareaal neemt de beregeningsbehoefte zelfs meer dan verdubbeld toe. Ook laat het onderzoek zien dat extra grondwateronttrekkingen leiden tot minder waterafvoer in beken in de zomer. Dat kan gevolgen hebben voor natuur, landbouw en waterkwaliteit.

Wetsvoorstel ministerie I&W
Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat werkte de afgelopen periode aan een wetsvoorstel om de regelgeving voor onttrekkingen van grond- en oppervlaktewater aan te scherpen vanwege de toegenomen druk op het watersysteem. In het kort: het ministerie wil dat de meeste grond- en oppervlaktewateronttrekkingen melding- of vergunningplichtig worden. Verder moeten al deze onttrekkingen meten en registreren hoeveel water er wordt onttrokken.
Uitgangspunten voor nieuw beleid
We willen toewerken naar een betere balans tussen watervraag en watervoorraad. Daarbij hanteren we vier belangrijke uitgangspunten:
- Voldoende zoetwater, nu en in de toekomst
De maatregelen die voortkomen uit het beleid moeten zorgen voor een balans tussen het watergebruik en de aanvulling van de zoetwatervoorraad. - Eerlijk verdelen van water
Het beschikbare water moet eerlijk verdeeld worden tussen gebruikers. - Duidelijkheid vooraf, perspectief voor gebruikers
Het moet vooraf duidelijk zijn hoeveel water gebruikt mag worden. Zo kunnen bijvoorbeeld agrariërs hun teeltplan hierop afstemmen. Zo voorkomen we verrassingen, zoals een plotseling beregeningsverbod uit grondwater. - Voldoen aan landelijk beleid
Het nieuwe beleid moet rekening houden met het wetsvoorstel van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat om meer grip te krijgen op het gebruik van grond- en oppervlaktewater.
Samen verstandig omgaan met water
De conclusie is helder: de vraag naar water stijgt, maar onze zoetwatervoorraad is geen oneindige bron. Als we niets doen, nemen de risico’s op droogteschade verder toe. Daarom werken we aan duidelijke regels en stimulerende maatregelen, zoals de subsidie voor waterconservering op zandgronden. Denk aan peilgestuurde drainage, peilverhoging door de aanleg van stuwtjes, het verondiepen (minder diep maken) van sloten of het verbeteren van de bodemkwaliteit. ‘Samen met gebruikers kunnen we stappen zetten’, besluit Jiska. ‘Door verstandig om te gaan met water maken we het watersysteem minder kwetsbaar voor droogte.’